Proef E - Apport uit diep water
Beschrijving van de proef

a. De hond wordt zonder halsband, los voorgejaagd.
b. De hond moet een in overzichtelijk, diep water geworpen zogenaamde kunststof grote wilde eend (kleur woerd) van ongeveer 560 gram apporteren.
c. De keurmeester zal de voorjager de plaats wijzen waar vandaan hij zijn hond moet inzetten en waar de hond de eend naar toe moet brengen. Deze plaats zal zodanig worden gekozen, dat deze afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden ongeveer 5 tot 10 meter uit de waterkant ligt en op 10 meter vanaf geweer en werper.
d. De eend moet op een zodanige plaats in het water worden geworpen, dat de hond om de eend te bereiken, moet zwemmen. 
e. De valplaats dient zo te worden gekozen, dat de hond vanaf de positie bij de voorjager de eend kan zien vallen.
f. Tijdens het werpen van de eend wordt een schot gelost. Werper en geweer blijven gedurende de hele proef op hun plaats staan. Het schot wordt afgegeven op het moment dat de eend op het hoogste punt is.
g. De keurmeester geeft een seconde nadat de eend is gevallen, een teken aan de voorjager om de eend te laten apporteren.
h. De keurmeester neemt een zodanige positie in dat hij het opnemen van de eend kan zien.
i. De voorjager mag tijdens de uitvoering van de proef de hem aangewezen plaats niet verlaten.
j. De hond moet de eend binnen handbereik van de voorjager brengen.

Beoordeling van de proef

Algemeen
De hond die onhoudbaar inspringt, kan maximaal een 7 krijgen. De hond die vóór de waterkant na ingesprongen te zijn, kan worden gestopt is niet onhoudbaar ingesprongen en kan maximaal een 8 krijgen. De voorjager mag de hond voor een voldoende uitvoering maximaal drie maal de opdracht geven om te water te gaan.
Hij mag de hond als deze zonder eend uit het water terugkeert nog éénmaal inzetten.

Voldoende
De proef is voldoende afgelegd door de hond die de eend aanneemt en naar zijn voorjager brengt, ongeacht of hij tijdens het werpen inspringt, verpakt, zich uitschudt, of hij zittend of staande afgeeft.

Volmaakt
De proef is volmaakt afgelegd door de hond die geen aandacht van de voorjager vergt, die voordat hij wordt uitgezonden, niet piept, jankt of blaft, die niet inspringt, het commando tot apporteren afwacht, daarna onmiddellijk te water gaat, snel naar de eend zwemt en een "model apport" uitvoert.

Proef F - Verloren apport te land
Beschrijving van de proef
a. De hond wordt zonder halsband, los voorgejaagd.
b. De hond moet een in dichte dekking geworpen wild konijn apporteren.
c. Bij voorkeur dient de proef zo te worden uitgezet, dat de wind uit een richting komt haaks op die, waarin de hond moet worden uitgestuurd.
d. De werper dient vanaf een plaats waar de hond hem niet kan zien, het konijn te werpen en wel zodanig, dat het konijn terechtkomt op ongeveer 30 tot 50 meter van de plaats waar de hond wordt ingezet. De afstand is afhankelijk van de aard van de dekking en de plaatselijke omstandigheden. De werper trekt zich terug op een zodanige plaats, dat zijn aanwezigheid en zijn loopspoor op de hond zo weinig mogelijk stimulerend of belemmerend werken.
e. Zo enigszins mogelijk dient de inrichting van de proef zo te zijn, dat voorjager en hond elkaar niet meer kunnen zien nadat de hond, gezien in de algemene richting van de valplaats, zich meer dan vijf meter van zijn voorjager heeft verwijderd. Bij bepaalde terreinomstandigheden kan het nodig zijn om een kunstmatig scherm te plaatsen.
f. De keurmeester zal een zodanige plaats innemen, dat hij het zoeken van de hond kan beoordelen.
g. De keurmeester zal de voorjager de plaats aanwijzen waar vandaan hij zijn hond moet inzetten en waar de hond het konijn naar toe moet brengen. De voorjager mag deze plaats gedurende de gehele proef niet verlaten, tenzij de keurmeester hem dat opdraagt.

Beoordeling van de proef
Algemeen

Bij de beoordeling zal de nadruk liggen op de zelfstandige en systematische zoekwijze, op het doorzettingsvermogen van de hond en op diens betrouwbaarheid om wild te brengen. Het geven van aanwijzingen en aanmoedigingen zal sterk negatief worden beoordeeld. Het zonder konijn uit de dekking terugkeren, zal negatief worden beoordeeld. De hond die eenmaal zonder konijn uit de dekking
terugkeert, mag maximaal nog tweemaal worden ingezet.

Voldoende
De proef is voldoende afgelegd door de hond die binnen een redelijke tijd, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, het konijn apporteert, ongeacht of hij verpakt, of hij zittend of staande afgeeft.

Volmaakt
De proef is volmaakt afgelegd door de hond die voordat hij wordt uitgezonden, niet piept, jankt of blaft, die na het commando tot apporteren onmiddellijk geanimeerd, zelfstandig, snel en systematisch gaat zoeken, niet zonder konijn uit de dekking terugkeert, het konijn snel vindt en een "model apport" uitvoert.

Proef H - Apport over diep water
Beschrijving proef

a. De hond wordt zonder halsband, los voorgejaagd.
b. De hond moet een aan de overzijde van een breed, diep water weggeworpen wilde eend apporteren.
c. Het water dient minimaal tien meter en maximaal veertig meter breed te zijn en zo diep, dat de hond om de overkant te bereiken, moet zwemmen.
d. De werper dient op een moment dat de hond hem niet kan zien, de eend op een zodanige plaats te werpen, dat deze, afhankelijk van de breedte van het water en de geaardheid van het terrein, minimaal tien meter en maximaal veertig meter vanaf de kant van het water terecht komt. De werper trekt zich terug op een zodanige plaats, dat zijn aanwezigheid en zijn loopspoor op de hond zo weinig mogelijk stimulerend of belemmerend werken.
e. De valplaats dient zodanig gekozen te worden, dat de hond de eend niet kan zien liggen, voordat hij in de onmiddellijke omgeving van het wild is gekomen.
f. Bij voorkeur dient de proef zo te worden uitgezet dat de wind uit een richting komt haaks op die, waarin de hond over het water moet worden gestuurd.
g. De keurmeester zal de voorjager de plaats aanwijzen waar vandaan hij zijn hond moet inzetten en waar de hond de eend naar toe moet brengen. Deze plaats zal zodanig worden gekozen, dat deze ongeveer drie meter, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, uit de waterkant ligt.
h. De voorjager mag tijdens de uitvoering van de proef de hem aangewezen plaats niet verlaten.

Beoordeling van de proef
Algemeen
De nadruk ligt op de wil om van de overzijde van het water de eend te apporteren. Het geven van extra aanwijzingen is niet verboden, maar zal negatief worden beoordeeld.
De voorjager mag de hond voor een voldoende uitvoering maximaal drie maal de opdracht geven om te water te gaan. Als de hond zonder eend bij de voorjager terugkeert en de keurmeester van oordeel is, dat de eend nog binnen een redelijke tijd kan worden geapporteerd, mag hij nog éénmaal worden ingezet. Het terugkomen om het water heen nadat de eend is gevonden, zal niet negatief
worden beoordeeld, tenzij het omlopen buiten proporties is.

Voldoende
De proef is voldoende afgelegd door de hond die binnen een redelijke tijd, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, de eend apporteert, ongeacht of hij verpakt, zich uitschudt of hij zittend of staande afgeeft.

Volmaakt
De proef is volmaakt afgelegd door de hond die voordat hij wordt uitgezonden, niet piept, jankt of blaft, die na één bevel onmiddellijk te water gaat, in rechte lijn snel naar de overkant zwemt, aan de overkant na al dan niet door zijn voorjager te zijn gestopt en na ten hoogste één commando of aanwijzing geanimeerd, zelfstandig, snel en systematisch gaat zoeken, niet zonder eend aan de waterkant terugkeert, snel de eend vindt en een "model apport" uitvoert.

Proef G - Markeerapport te land
Beschrijving van de proef

a. De hond wordt zonder halsband los voorgejaagd.
b. De hond moet zonder halsband of lijn een voor hem zichtbaar weggeworpen zwarte kraai apporteren.
c. De valplaats dient zodanig gekozen te worden, dat de hond de zwarte kraai niet kan zien liggen voordat hij in de onmiddellijke omgeving van het wild is gekomen.
d. De valplaats mag niet dusdanig opvallen, dat de hond erdoor wordt aangetrokken.
e. Bij voorkeur dient de proef zo te worden uitgezet, dat de wind uit een richting komt haaks op die, waarin de hond moet uitgaan. Werper en geweer dienen in dit geval bovenwinds van de valplaats van de kraai te staan. De kraai moet van de wind af ongeveer vijf meter schuin naar voren richting voorjager worden geworpen.
f. Direct nadat er is geschoten, dient de werper de kraai met een grote boog van zich af te werpen en wel zodanig, dat de kraai op ongeveer zestig meter van de hond terechtkomt.
g. Werper en geweer blijven gedurende de gehele proef op hun plaats staan.
h. Nadat de voorjager de keurmeester te kennen heeft gegeven, dat hij gereed is om de proef af te leggen, geeft de keurmeester geweer en werper een teken dat zij kunnen starten.
i. De keurmeester zal nadat de kraai is gevallen, na ongeveer drie seconden toestemming geven om de hond uit te zenden. Hij doet dit door de voorjager op de schouder te tikken.
j. De voorjager mag vanaf het moment dat de hond is uitgezonden tot aan het moment dat deze de kraai heeft opgenomen, geen aanwijzingen of commando's geven.
k. De voorjager mag tijdens de uitvoering van de proef de hem aangewezen plaats niet verlaten.
l. Indien om welke reden dan ook onvoldoende zwarte kraaien voorhanden zijn dan mag na toestemming van de gedelegeerde ook een roek worden gebruikt. Dit kan alleen indien wordt aangetoond dat deze door middel van een ontheffing verkregen zijn.

Beoordeling van de proef
Algemeen
De hond die onhoudbaar inspringt, heeft deze proef onvoldoende afgelegd. De hond die binnen vijf meter vanaf de voorjager wordt gestopt, is niet onhoudbaar ingesprongen en mag vanaf die plaats, na toestemming van de keurmeester, de proef voortzetten. De hond die houdbaar is ingesprongen kan maximaal een 8 krijgen. 
De hond die vrij verloren zoekend de kraai vindt, heeft deze proef onvoldoende afgelegd. Het overdoen van de proef mag alleen bij zéér uitzonderlijke omstandigheden.

Voldoende
De proef is voldoende afgelegd door de hond die door de juiste richting aan te houden of die door doelbewust de juiste richting te herstellen, blijk geeft de valplaats te hebben onthouden en zonder aanwijzingen of commando’s totdat de kraai is opgenomen, de kraai apporteert, ongeacht of hij verpakt, zittend of staande afgeeft.

Volmaakt

De proef is volmaakt afgelegd door de hond die voordat hij wordt uitgezonden, niet piept, jankt of blaft, die rustig en attent op zijn post zit en geen aandacht van zijn voorjager vergt, het commando tot apporteren afwacht, snel gericht naar de valplaats gaat, de kraai zonder te hoeven zoeken vindt en een "model apport" uitvoert.

Proef I - Dirigeerproef te land
Beschrijving van de proef
a. De hond wordt zonder halsband, los voorgejaagd.
b. De hond moet twee houtduiven apporteren.
c. De proef moet worden uitgezet in overzichtelijk terrein. Dat wil zeggen, dat de hond die niet aanzienlijk van de ideale route afwijkt, voor de voorjager voortdurend zichtbaar moet kunnen zijn.
d. De duiven dienen in een V-vorm op een afstand van ongeveer 100 en 130 meter van de positie van de voorjager te liggen. De afstand tussen de twee duiven bedraagt ongeveer vijftig meter. Bij voorkeur dient de proef zo te worden uitgezet, dat de wind uit een richting komt haaks op die, waarin de hond moet worden uitgestuurd. Wanneer de wind van links komt dan moet de 1e duif aan de rechterkant van de 2e duif liggen. Als de wind van rechts komt dan moet de 1e duif aan de linkerkant van de 2e duif liggen. De valplaatsen dienen zo natuurlijk mogelijk te worden gemarkeerd.
e. Op de valplaatsen en zeer ruime omgeving daarvan moet lage dekking aanwezig zijn, zodat de hond het wild niet kan zien voordat hij in de onmiddellijke omgeving van het wild is gekomen.
f. De werpers dienen op een moment dat de hond dit niet kan zien, de duiven op de valplaatsen te werpen.
g. De werpers dienen zich op een zodanige plaats terug te trekken, dat hun aanwezigheid en de loopsporen zo weinig mogelijk stimulerend of belemmerend op de hond werken. De werpers dienen dus bij voorkeur recht naar achteren te lopen en op voldoende afstand uit zicht te zijn en te blijven gedurende de proef.
h. De voorjager mag de hem aangewezen plaats gedurende de gehele proef niet meer dan vijf meter verlaten en daarbij een aangegeven lijn niet naar voren overschrijden.
i. De voorjager geeft van tevoren bij de keurmeesters aan op welke duif hij de hond het eerst inzet. Die duif dient dan ook het eerste binnen te komen.

Beoordeling van de proef

Algemeen
De nadruk ligt op de dirigeerbaarheid. Het vrij verloren zoeken van de duiven is niet toegestaan. De voorjager moet voor een correcte uitvoering zijn aanwijzingen en commando's tot een minimum beperken. De hond moet dus in alle rust worden voorgejaagd. Luidruchtige commando’s worden negatief beoordeeld. Als de hond bij de valplaats komt moet hij de duif zelfstandig vinden en oppakken. Meerdere aanvullende commando's worden negatief beoordeeld. De duif die door de voorjager is aangewezen om als eerste te worden gehaald moet ook als eerste worden binnen gebracht. Brengt de hond de andere duif mee dan is de proef onvoldoende afgelegd en beëindigd de woordvoerder de proef.

De wijze van keuren
De drie keurmeesters vormen zich onafhankelijk van elkaar een oordeel. Zodra een keurmeester van oordeel is dat de uitvoering onvoldoende is, maakt hij dit door handopsteken kenbaar. Zodra een tweede keurmeester de uitvoering eveneens onvoldoende vindt, beëindigt de woordvoerder de proef.

Vaststellen van het cijfer
De keurmeesters geven onafhankelijk van elkaar een cijfer, minimaal een 6 en maximaal een 10. Het eindcijfer is het gemiddelde van de drie cijfers, afgerond naar het dichtstbijzijnde hele getal. Indien één keurmeester de uitvoering onvoldoende vindt, is het eindcijfer een 6.

Voldoende
De proef is voldoende afgelegd door de hond die niet in grote mate van de ideale lijn afwijkt en via dirigeren in de juiste volgorde beide duiven heeft binnengebracht, ongeacht of hij verpakt, zittend of staande afgeeft. 

Volmaakt
De proef is volmaakt afgelegd door de hond die via de ideale lijn gedirigeerd wordt, met enkele commando’s de duiven in de juiste opgegeven volgorde haalt, die voordat hij wordt uitgezonden, niet piept, jankt of blaft, de duiven ter plekke, al dan niet na een enkel commando, zelfstandig vindt en een "model apport" uitvoert.

Free Joomla templates by Ltheme