Proef H - Apport over diep water
Beschrijving proef

a. De hond wordt zonder halsband, los voorgejaagd.
b. De hond moet een aan de overzijde van een breed, diep water weggeworpen wilde eend apporteren.
c. Het water dient minimaal tien meter en maximaal veertig meter breed te zijn en zo diep, dat de hond om de overkant te bereiken, moet zwemmen.
d. De werper dient op een moment dat de hond hem niet kan zien, de eend op een zodanige plaats te werpen, dat deze, afhankelijk van de breedte van het water en de geaardheid van het terrein, minimaal tien meter en maximaal veertig meter vanaf de kant van het water terecht komt. De werper trekt zich terug op een zodanige plaats, dat zijn aanwezigheid en zijn loopspoor op de hond zo weinig mogelijk stimulerend of belemmerend werken.
e. De valplaats dient zodanig gekozen te worden, dat de hond de eend niet kan zien liggen, voordat hij in de onmiddellijke omgeving van het wild is gekomen.
f. Bij voorkeur dient de proef zo te worden uitgezet dat de wind uit een richting komt haaks op die, waarin de hond over het water moet worden gestuurd.
g. De keurmeester zal de voorjager de plaats aanwijzen waar vandaan hij zijn hond moet inzetten en waar de hond de eend naar toe moet brengen. Deze plaats zal zodanig worden gekozen, dat deze ongeveer drie meter, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, uit de waterkant ligt.
h. De voorjager mag tijdens de uitvoering van de proef de hem aangewezen plaats niet verlaten.

Beoordeling van de proef
Algemeen
De nadruk ligt op de wil om van de overzijde van het water de eend te apporteren. Het geven van extra aanwijzingen is niet verboden, maar zal negatief worden beoordeeld.
De voorjager mag de hond voor een voldoende uitvoering maximaal drie maal de opdracht geven om te water te gaan. Als de hond zonder eend bij de voorjager terugkeert en de keurmeester van oordeel is, dat de eend nog binnen een redelijke tijd kan worden geapporteerd, mag hij nog éénmaal worden ingezet. Het terugkomen om het water heen nadat de eend is gevonden, zal niet negatief
worden beoordeeld, tenzij het omlopen buiten proporties is.

Voldoende
De proef is voldoende afgelegd door de hond die binnen een redelijke tijd, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, de eend apporteert, ongeacht of hij verpakt, zich uitschudt of hij zittend of staande afgeeft.

Volmaakt
De proef is volmaakt afgelegd door de hond die voordat hij wordt uitgezonden, niet piept, jankt of blaft, die na één bevel onmiddellijk te water gaat, in rechte lijn snel naar de overkant zwemt, aan de overkant na al dan niet door zijn voorjager te zijn gestopt en na ten hoogste één commando of aanwijzing geanimeerd, zelfstandig, snel en systematisch gaat zoeken, niet zonder eend aan de waterkant terugkeert, snel de eend vindt en een "model apport" uitvoert.

Free Joomla templates by Ltheme